De Verenigde Staten hebben een lange geschiedenis van interventies en inmenging in Zuid-Amerika, die teruggaat tot de negentiende eeuw. Een van de meest beruchte voorbeelden van deze inmenging was de oprichting van zogenaamde “Banana Republics” door grote Amerikaanse bedrijven zoals United Fruit Co. en Cuyamel Fruit Co. Deze bedrijven werden verantwoordelijk gehouden voor staatsgrepen en politieke destabilisatie in landen als Honduras en Guatemala.
In de jaren 1950 en 1960 nam de Amerikaanse inlichtingendienst CIA een actievere rol in bij het bestrijden van vermeende communistische dreigingen in Zuid-Amerika. Dit leidde onder andere tot de mislukte invasie van de Varkensbaai in Cuba in 1961 en de steun aan het beruchte Condor-project in de jaren zeventig. Het Condor-project was een samenwerking tussen dictators van verschillende Zuid-Amerikaanse landen, gesteund door de VS, om linkse oppositie te onderdrukken.
De Amerikaanse overheid verstrekte logistieke steun, training en inlichtingen aan de dictaturen in de regio, met als doel het voorkomen van potentieel ongewenste politieke ontwikkelingen. Documenten die later werden vrijgegeven onthulden de duistere kant van deze operaties, met naar schatting 60.000 doden, 30.000 vermisten en 400.000 gevangenen als gevolg van de repressie door de dictaturen.
Ondanks de val van de dictaturen bleven de Verenigde Staten actief in Zuid-Amerika, met interventies tijdens het presidentschap van Ronald Reagan en George W. Bush. De inmenging van de VS in landen als Nicaragua en Panama liet zien dat het beleid van interventionisme nog steeds voortduurde.
Al met al laat de geschiedenis van de Verenigde Staten in Zuid-Amerika een complex en vaak gewelddadig verhaal zien van politieke inmenging en destabilisatie. Het is belangrijk om deze geschiedenis te begrijpen om de huidige geopolitieke situatie in de regio beter te kunnen begrijpen.






























































