Het Europese Hof van Justitie heeft aangegeven dat de Europese Commissie geen 10 miljard euro had mogen vrijmaken voor Hongarije. Dit besluit kwam voort uit een klacht van het Europees Parlement, dat beweerde dat de Commissie haar eigen regels had overtreden. Het geld was aanvankelijk ingehouden vanwege zorgen over de rechtsstaat in Hongarije.
De Europarlementariërs beschuldigen de Commissie ervan politieke belangen te hebben gehad bij het vrijgeven van de financiering, met name vlak voor een belangrijke top van EU-leiders. De Commissie verdedigde haar besluit door te stellen dat Hongarije specifieke doelstellingen had behaald op het gebied van rechterlijke onafhankelijkheid.
De advocaten van het Parlement betoogden echter dat de Commissie een bredere kijk had moeten hebben op de systemische tekortkomingen van de rechtsstaat in Hongarije. Op basis van het juridische advies om het besluit van de Commissie in te trekken, zullen de rechters binnen enkele maanden een definitieve beslissing nemen.
Indien het besluit nietig wordt verklaard, zal de Commissie moeten vragen om terugbetaling van het vrijgemaakte geld. Als Hongarije weigert, kan de Commissie andere betalingen aan Hongarije proportioneel verlagen. Deze beslissing zal een precedent scheppen voor de discretionaire bevoegdheid van de Commissie bij het beoordelen van schendingen van de rechtsstaat door EU-landen, met name op grond van de Verordening Gemeenschappelijke Bepalingen.



























































