Het besluit van Donald Trump om nieuwe tarieven op te leggen aan 60 handelspartners van de VS werd gepresenteerd als een aanval op dwangarbeid en producten geproduceerd onder omstandigheden van moderne slavernij. De Europese Unie werd ook opgenomen in deze lijst, wat vragen oproept over de rechtvaardigheid van deze beslissing. Hoewel de EU al relevante regelgeving heeft aangenomen, wordt ze toch gestraft door de VS voor het niet effectief ten uitvoer leggen van deze wetgeving.
Het specifieke geval met de nieuwe tarieven houdt in dat voor de meeste landen aanvullende tarieven van 10% of 12,5% worden opgelegd, met bepaalde productuitzonderingen. In het geval van de EU zou er een extra horizontale 10% bovenop het bestaande recht kunnen worden opgelegd. Dit creëert echter een brede handelssanctie die niet alleen verdachte bedrijven treft, maar ook Europese producten belast zonder een duidelijk verband met dwangarbeid.
Het Amerikaanse instrument dat wordt gebruikt, de Sectie 307 van de Tariefwet van 1930, verbiedt de invoer van producten die geheel of gedeeltelijk door dwangarbeid zijn verkregen, geproduceerd of vervaardigd. Dit werd verder versterkt voor China met de Uyghur Forced Labour Prevention Act. Aan de andere kant heeft de Europese Unie haar eigen wetgeving ingevoerd die vanaf 14 december 2027 van kracht zal worden en een breder scala aan producten en economische activiteiten zal bestrijken dan de Amerikaanse wetgeving.
Het argument van de USTR is dat de EU weliswaar een effectief wettelijk verbod heeft ingevoerd, maar dat dit nog niet ten uitvoer kan worden gelegd tot 2027. Dit wordt gezien als een zwakte in de Europese wetgeving door de VS. Echter, de Europese wetgeving is qua reikwijdte breder dan de Amerikaanse en omvat ook bedrijven die actief zijn op de Europese markt, niet alleen de import.
Al met al lijkt het besluit van Trump om nieuwe tarieven op te leggen aan de EU voor vermeende zwakke wetgeving tegen dwangarbeid paradoxale gevolgen te hebben. Het gebruikt handelstarieven als een instrument voor commerciële druk, in plaats van specifiek gericht te zijn op het bestrijden van dwangarbeid. Dit roept vragen op over de rechtvaardigheid van zijn beslissing.





























































