Het Amerikaanse Hooggerechtshof heeft onlangs een historische uitspraak gedaan die de bevoegdheden van de president van de Verenigde Staten aanzienlijk heeft versterkt. Met een meerderheid van 6 tegen 3 stemmen heeft het Hof bijna 90 jaar aan jurisprudentie vernietigd die de mogelijkheden van het Witte Huis beperkte om de hoofden van onafhankelijke federale agentschappen af te zetten. Deze beslissing, genomen in de zaak Trump v. Slaughter, maakt een einde aan het historische precedent van Humphrey’s Executor v. Verenigde Staten uit 1935.
Het belangrijkste argument van de meerderheid van het Hof, geleid door opperrechter John Roberts, is dat de Amerikaanse grondwet de uitvoerende macht aan één persoon toevertrouwt: de president. Hierdoor moet de president substantiële controle hebben over het gehele uitvoerende apparaat, inclusief onafhankelijke federale autoriteiten. Dit markeert een bevestiging van de ‘unitaire uitvoerende theorie’, die stelt dat de president de controle moet hebben over het hele uitvoerende apparaat.
Deze uitspraak heeft gevolgen voor tientallen onafhankelijke federale autoriteiten, zoals de Federal Trade Commission (FTC) en de Securities and Exchange Commission (SEC), die voorheen met een aanzienlijke mate van institutionele onafhankelijkheid opereerden. Nu zullen hun hoofden zich kunnen verwijderen van de president zonder de bescherming die eerdere jurisprudentie bood.
Opvallend is dat de Federal Reserve, met gouverneur Lisa Cook, een uitzondering vormt op deze regel. In de zaak Trump v. Cook weigerde het Hof met een krappe meerderheid van 5 tegen 4 – althans voorlopig – Trump toe te staan Cook af te zetten. Dit komt doordat de Fed een ‘unieke’ constitutionele positie inneemt vanwege de onafhankelijkheid van het monetaire beleid.
Deze uitspraak markeert een nieuw hoofdstuk in het Amerikaanse presidentschap en herdefinieert het machtsevenwicht tussen het Witte Huis, het Congres en onafhankelijke autoriteiten. Het opent ook de mogelijkheid van nieuwe constitutionele conflicten over de grenzen van de presidentiële macht en de vraag of onafhankelijke instellingen kunnen blijven bestaan buiten de politieke druk van de zittende president.





























































