Een halve eeuw lang klopte het hart van de wereldhandel op het ritme van een ‘zwarte’ munt. Het was geen goud, maar de dollar die in olie werd ‘gedoopt’, waardoor een onzichtbaar economisch imperium ontstond. Het was in 1974 dat de Egyptische econoom Ibrahim Owais de naam gaf aan dit krachtige mechanisme, waarbij hij ‘petrodollars’ omschreef als de rijkdom die uit oliebronnen vloeide.
Tegenwoordig dwingen het geopolitieke avonturisme en het agressieve gebruik van economische sancties echter steeds meer landen om alternatieve betalingsmethoden te overwegen. Ondanks de ogenschijnlijke toewijding van Amerika aan de principes van de vrije markt, brengt de angst voor sancties, het bevriezen of in beslag nemen van bezittingen binnen zijn rechtsgebied de angst voor ‘gebonden fondsen’ terug.
Maar ondanks de trillingen blijft de Amerikaanse munt overeind. Waar haalt het zijn kracht vandaan? Eind 1974 had het Amerikaanse ministerie van Financiën een geheime deal gesloten met Saoedi-Arabië, waarin werd beloofd de olieprijzen uitsluitend in dollars te zullen prijzen in ruil voor militaire bescherming. Het was de bilaterale overeenkomst die in wezen het ‘bevallen’ gaf van het oliedollarregime.
De prijsstelling van olie in dollars zorgde voor een mondiale vraag naar Amerikaanse valuta. Tegelijkertijd gaf de investering van oliewinsten in op dollars gebaseerde activa Amerika een benijdenswaardige financiële bewegingsvrijheid.
De oorlog met Iran heeft nieuwe twijfels doen rijzen over de ‘status’ van de oliedollar. De grootste afnemers van olie uit de Golf bevinden zich nu in Azië, niet in het Westen. China betaalt al lang voor Iraanse ruwe olie in yuan in plaats van in dollars, en is ook begonnen te experimenteren met digitale aankopen van grondstoffen in de yuan. Andere landen, zoals Rusland en India, hebben ook geprobeerd olie in hun eigen valuta te verhandelen.
Sommige overeenkomsten kunnen bijvoorbeeld nominaal geprijsd in dollars, profiterend van de rijke termijnmarkten, maar met definitieve afwikkeling via andere middelen, zoals de digitaal wan. De Chinese munt zou geleidelijk aan terrein kunnen winnen, vooral gestimuleerd door de enorme hoeveelheden olie die het land zelf koopt.
Hoewel olie wordt beschouwd als een “anker” van de dollar, is de prijsstelling in deze valuta niet alleen een bescherming tegen de brandstofkosten. De Amerikaanse munt blijft sterk en ontleent haar kracht nu niet aan de canules uit de Golf, maar aan mondiale toeleveringsketens en industriële suprematie. De dollar is veranderd van een ‘olievaluta’ in een ‘technologievaluta’ en heeft nieuwe bondgenoten gevonden in de industriële reuzen van Azië, hongerig naar de stabiliteit die deze alleen nog steeds biedt. Bedrijven geven er in de eerste plaats de voorkeur aan om zich in te dekken tegen schommelingen in de kosten van belangrijke industriële grondstoffen, in plaats van olie. Uiteindelijk wordt de dollarliquiditeit tegenwoordig vooral gevoed door Oost-Aziatische industriële exporteurs zoals China, terwijl de Amerikaanse munt nog steeds standhoudt.





























































