Niet-geëxplodeerde munitie blijft een dodelijke valstrik vormen in de Gazastrook, met verwoestende gevolgen voor de burgers die er wonen. Sinds de Israëlische oorlog tegen Hamas begon, zijn granaten, bommen en kogels overal te vinden in de Palestijnse enclave, waardoor een levensgevaarlijke situatie is ontstaan. De United Nations Mine Action Service (UNMAS) heeft gemeld dat meer dan 1.000 mensen zijn omgekomen als gevolg van de aanwezigheid van deze niet-ontplofte munitie, waarvan de helft kinderen zijn.
Julius Van der Walt, hoofd van UNMAS in de bezette Palestijnse gebieden, benadrukt dat het werkelijke aantal slachtoffers waarschijnlijk nog hoger ligt. Tijdens een persconferentie in Genève wees hij erop dat kinderen het grootste deel van de slachtoffers vormen. Save the Children, een niet-gouvernementele organisatie, rapporteert dat het gebruik van zakexplosieven maandelijks 475 kinderen handicapt maakt, met blijvende gevolgen voor hun leven.
Narmina Strisenets van Save the Children benadrukt dat de Gazastrook tegenwoordig de thuisbasis is van het grootste aantal geamputeerde kinderen ter wereld. De bevolking in de enclave wordt geconfronteerd met een “hoge dichtheid” van niet-geëxplodeerde munitie, die een constante dreiging vormt voor hun veiligheid. UNMAS heeft meer dan 1.000 van deze gevaren geregistreerd tijdens hun missies in de Gazastrook, wat aantoont hoe wijdverspreid het probleem is.
De dichtbevolkte Gazastrook is al decennia lang een gebied met een hoge bevolkingsdichtheid, met ongeveer 6.000 inwoners per vierkante kilometer. De oorlog heeft de beschikbare ruimte gehalveerd en de bevolkingsdichtheid verdubbeld, waardoor de situatie nog nijpender is geworden. Het is duidelijk dat de aanwezigheid van niet-ontplofte munitie een grote bedreiging vormt voor de burgers van de Gazastrook, met name voor de kinderen die het zwaarst worden getroffen door deze dodelijke valstrik.





























































