De Hongaarse premier Viktor Orbán beschreef de verkiezingen van 12 april als een moeilijke keuze tussen ‘oorlog of vrede’. Hij waarschuwde dat zijn tegenstanders het land zouden meesleuren in een oorlogssituatie die naast Oekraïne woedt. Orbán, leider van de nationalistische Fidesz-partij, benadrukte dat zijn partij de veilige keuze is voor vrede.
Orbán heeft actief campagne gevoerd tegen financiële steun van de Europese Unie aan Oekraïne. Hij heeft brieven gestuurd naar Hongaarse kiezers waarin ze werden aangespoord om een formulier in te vullen dat deze steun afwijst. Daarnaast heeft Fidesz borden opgehangen waarop de oppositieleider Peter Magyar staat afgebeeld die ja zegt tegen financiële steun voor Oekraïne.
De centrumrechtse partij Tisza, die in de meeste peilingen leidt, heeft aangegeven dat Hongarije zich weer wil aansluiten bij de Europese gemeenschap na jaren van gespannen betrekkingen onder Orbán. Tisza heeft beloofd om corruptie te bestrijden en de economie nieuw leven in te blazen.
Orbán’s focus op oorlog wordt ook gekoppeld aan de toestand van de Hongaarse economie, die nog steeds in stagnatie verkeert. Hij probeert zichzelf te presenteren als een garant voor stabiliteit en veiligheid, met de boodschap dat chaos zal volgen als hij de macht verliest.
De anti-Oekraïense retoriek van Orbán lijkt aan te slaan bij bepaalde kiezers, vergelijkbaar met zijn harde standpunt over immigratie in het verleden. Hij beschuldigt zowel Kiev als Brussel ervan zich te bemoeien met de Hongaarse verkiezingen, wat door beide partijen wordt ontkend.
De verkiezingen zullen uiteindelijk bepalen of Hongarije onder Orbán de weg van conflict of vrede zal bewandelen. Het publieke sentiment in Hongarije ten opzichte van Oekraïne lijkt af te koelen naarmate de oorlog voortduurt. Het is aan de kiezers om te beslissen welke koers het land zal volgen.




























































